||||||llllll||||t| Home | Over Peter van Beek | Voorpublicatie | Vertelling | Contact | Boekingen |||||||||||llllll||

 

llllllmmmmmmmmmmmmm| Nieuws | Prijsvraag | Bestellen | Lessenserie |mmmmmmmmmmmmmllllll
 

1 Bataviawerf, Lelystad

donderdag 1 februari 2007, 13.00 uur

‘Abdel! Abdel! Abdel!’
De meiden en jongens van klas 2c schreeuwen en stampen
met hun voeten op het houten dek van de Batavia, een in
Lelystad nagebouwd zeventiende-eeuws schip. De klas staat
bij de boegspriet. Het geluid van de trappelende schoenen
lijkt door het hele schip te stormen.
Abdel staat op de lange boegspriet en zijn handen krommen
zich om een touw dat boven de boegspriet is gespannen. Hij
loopt voorzichtig over het rondhout. Zijn rug is gebogen.
‘Je haalt het!’ Dat is Mustafa, zijn vriend.
Abdel voelt de koude noordwestenwind langs zijn gezicht. De
Batavia schommelt en deint licht. Abdel is halverwege de
boegspriet met onder hem water, zeven meter lager. De
Nederlandse vlag, die aan het eind van boegspriet is geplaatst,
klappert als de vleugels van opvliegende duiven.
‘Kom terug!’ De snerpende stem van geschiedenislerares
Groenendijk. Ze heeft verticale rimpels in haar voorhoofd.
Naast haar staat Jochemsen, docent Engels. Hij zegt niets en
kan de actie van Abdel blijkbaar wel waarderen.
Abdel kijkt niet achterom, steekt zijn linkerarm in de lucht,
zwaait met zijn pet. Daarna zet hij die achterstevoren op zijn
hoofd en schuift weer een stukje op.
‘Levensgevaarlijk wat je doet!’, gilt Groenendijk. Haar gezicht
is tomaatrood, zoals altijd als ze kwaad is en dat is ze vaak.
Haar handen heeft ze in haar zij. Ze schudt met haar hoofd
alsof ze muggen wil verjagen. Ze stoot Jochemsen aan.‘Doe jij
ook eens wat’, zegt ze.
Jochemsen haalt zijn schouders op en zegt:‘Het zal wel eens

vaker gebeuren dat iemand over de boegspriet loopt of in een
mast klimt.’
De klas blijft de naam van Abdel roepen en trekt zich niets aan
van de laaiende lerares.
Op het dek staat ook Anna. Ze heeft donker haar, draagt een
blauwe winterjas, een spijkerbroek en donkerrode schoenen.
Ze kauwt op een kettinkje met felgekleurde kralen. Anna heeft
een folder en een digitale camera in haar handen en kijkt naar
de jongen die over de schuine boegspriet loopt.
Stoer, denkt ze. Een beetje macho ook.
Om tien uur vanmorgen is ze met haar vader vanuit
Amsterdam vertrokken. Die heeft haar afgezet bij één van de
poorten van Bataviastad. Om een uur of twee haalt hij haar
weer op.
‘Nog één keer! Terugkomen!’
Anna lacht om de kleine lerares met haar schrille stem. Het is
overal hetzelfde.Waarom gaan altijd de verkeerde leraren mee
op excursie?
Anna is alleen, ze spijbelt. Haar vader heeft haar ziek gemeld.
Dat doet hij soms gewoon.
‘Je cijfers zijn prima. En als je een werkstuk over Michiel de
Ruyter maakt, dan moet je naar de Bataviawerf in Lelystad. Ik
ga morgen naar een vergadering in Emmeloord, dus dan kan
ik je mooi even brengen en weer ophalen. Prima timing trouwens.
Michiel de Ruyter is dit jaar 400 jaar geleden geboren.’
Dat weet Anna ook wel. De zeeheld is in 1607 in Vlissingen
geboren. Ze wil ook nog naar de Nieuwstraat 13, het huis van
de beroemde admiraal.
Anna ziet dat de jongen het einde van de boegspriet gehaald
heeft en de vlaggenmast vastpakt.
De meiden en jongens klappen in hun handen. Mustafa danst
als een kind over het dek.

Anna glimlacht, stopt haar camera in haar broekzak en loopt
naar het hek. Ze wil de jongen van dichterbij zien.
‘Juf ahoy!’, roept Abdel.‘Knalrode juf in zicht!’
Iedereen lacht, ook Anna.
Groenendijk draait zich om en verlaat het schip via een trap
aan stuurboord. Als ze op de kade voor het schip langs loopt,
roept Abdel:‘Vrouwen en kinderen eerst!’
Anna ziet Abdel staan: zwart haar, grote ogen, slank. Zijn brede
schouders in een spijkerjack. Oranje pet, gymschoenen
onder een zwarte spijkerbroek.
‘Daar gaat de juf! In het kielzog van Jochemsen, de dappere
held.’
De klas juicht alsof het Nederlands elftal gescoord heeft.
Anna houdt haar camera omhoog, maar laat per ongeluk de
folder vallen. Een windvlaag, die over het dek gaat, neemt de
folder mee. Het papier deint in de wind, hobbelt naar de
boegspriet, plakt even over het rondhout. Dan opnieuw wind,
sterker nu. Het papier vliegt langs de boegspriet naar voren.
Abdel bukt en pakt de folder.
‘Wie wat waar op de werf!’, leest hij hardop.‘Een boeiende
kijk op …’, Abdel denkt even na,‘een meisje dat ik niet ken.’
Anna doet alsof ze niets hoort en kijkt op het schermpje van
haar camera, die piepend aangeeft dat het beeld scherpgesteld
is. Anna neemt snel een serie foto’s.
‘Abdel!’, roept Mustafa.‘Groenendijk komt terug, met twee
mannen.’
Abdel houdt zich goed vast aan het touw boven de boegspriet
en begint terug te lopen. Het gaat gemakkelijker dan hij
dacht.
‘Opschieten,’ zegt Anna,‘over een minuut zijn ze er.’
Abdel schuifelt over de boegspriet. Groenendijk stapt op het
dek, de anderen volgen. De klas vormt een muur.

‘Laat me erdoor.’
De meiden en jongens blijven staan.
‘Kom op, wegwezen!’, zegt Anna en ze pakt Abdels hand.‘Ik
weet een goede plek.’
Abdel rent met Anna mee. Bij de grote mast gaan ze een trap
af naar beneden. Daar staan de kanonnen, met de lopen naar
buiten gericht. Het tocht over het dek, want de kanonluiken
staan open.
‘Naar beneden.’
Opnieuw gaan ze een trap af. Anna en Abdel kunnen er niet
rechtop staan en lopen gebukt verder. Het is schemerig.
Ergens boven klinkt gefluit. Nog een trap naar beneden, het
grote ruim in.
Anna trekt Abdel naar een plek waar tientallen betonblokken
zijn neergelegd. Ze kruipen over de blokken en zien een paar
planken die schuin overeind staan. Daarachter verstoppen ze
zich.
‘Waarom doe je dit? Je kent me niet eens.’
‘Ik vond het tof wat je deed. Bijna niemand zou het gedurfd
hebben.’
Abdel voelt de warmte van Anna’s been en schuift een beetje
naar links.
‘Het was een weddenschap, anders zou ik het ook niet gedaan
hebben. Nu krijg ik van iedereen in de klas een euro. Ik spaar
voor een nieuwe fiets.’
Boven hen horen ze harde voetstappen.
‘Die komen straks ook hier’, zegt Anna. Even later fluistert ze:
‘Daar komen ze.’
‘Ze zitten vast achter die grote vaten’, zegt Groenendijk.
‘Dat lijkt me niet.’ Een zware, vreemde stem.
‘Of in de kombuis’, zegt Jochemsen.
‘Daar kun je je kont niet keren.’ Weer die zware stem.

‘Misschien achter die stapel planken?’, vraagt een ander.
Plotseling gilt iemand vanuit het trapgat: ‘Juf, Sanne is overboord
gevallen.We zien haar niet meer.’
‘Snel,’ zegt Groenendijk,‘naar boven!’
Anna wacht even, komt overeind en zegt:‘Nu kunnen we
ongezien wegkomen.’
Abdel en Anna gaan de trap op, niemand te zien. Opnieuw
een trap. Ze komen op het dek. Iedereen staat op het hoge dek
achterop het schip en schreeuwt door elkaar. Anna en Abdel
gaan van boord en rennen over de kade, langs de Batavia en
De 7 Provinciën, het grote admiraalsschip van Michiel de
Ruyter dat nagebouwd wordt.
‘Daar gaan ze!’ Dat is de stem van Groenendijk natuurlijk.
‘Waar gaan we heen?’, vraagt Abdel.
‘Naar Bataviastad, daar kunnen we praten.’
Ze lopen het Nationaal Scheepshistorisch Centrum in en zien links
een houten beeld.
‘Dat is Michiel de Ruyter’, zegt Anna.‘Hij is 400 jaar geleden
geboren.’
‘Ik ken die man ergens van. Hij lijkt op het beeld bij ons in de
haven.’
‘Woon je in Vlissingen?’, vraagt Anna verbaasd.
‘Hoe weet jij dat?’
‘Omdat het de enige stad is waar een beeld van hem bij de
haven staat.’
‘Ik hou me niet bezig met de Nederlandse geschiedenis en al
helemaal niet met De Ruyter. Hij schijnt een zeeheld te zijn.
Geen idee wat ik me daarbij moet voorstellen.’
‘Wat doe je hier dan?’
‘Excursie, verplicht. Het schiet me ineens te binnen:
Groenendijk heeft in de les wel over hem verteld, maar ik kan
niet naar die vreselijke stem luisteren.’

‘Daar kan ik me wel iets bij voorstellen.’
Abdel wijst naar De Ruyter:‘Kleine man trouwens.’
‘Net zoiets als jij’, lacht Anna.‘En hij schijnt een keer in een
kerktoren geklommen te zijn, helemaal tot bovenin. Net zo’n
waaghals als jij dus.’
Abdel kan er niet om lachen.‘Ik groei nog zeker vijftien centimeter’,
zegt hij.
‘Het was maar een grapje. De mensen waren vroeger gewoon
kleiner dan nu, of Michiel is niet op ware grootte afgebeeld.
Maar we moeten verder, straks krijgen we die Groenendijk
achter ons aan.’
Ze gaan de museumwinkel binnen en lopen naar de uitgang.
Abdels mobieltje gaat.
‘Met Abdel.’ Hij luistert.‘Goed, geef me haar maar even.’
Abdel houdt het mobieltje tien cm van zijn rechteroor. Zelfs
Anna kan nog verstaan wat de lerares zegt:‘Dit pikken we
niet. Kom terug naar de Batavia!’
‘Is Sanne weer boven water?’, vraagt Abdel.
Het is even stil. Dan zegt ze:‘Sanne was helemaal niet in het
water gevallen. Afleidingsmanoeuvre van Mustafa. Jullie zijn
ook allemaal …’
‘Wat zijn wij allemaal? Dag mevrouw Groenendijk, tomaatrode
geschiedenisjuf.’ Abdel drukt driftig de verbinding weg.
‘Het viel me nog mee dat ze geen kutmarokkanen zei.’
Abdels mobieltje gaat opnieuw. ‘Ja?’ … ‘Om twee uur bij de
bus? Oké, zie ik je daar.’ Abdel stopt zijn mobieltje in zijn
broekzak en kijkt op zijn horloge.
‘Wie was dat?’, vraagt Anna.
‘Mustafa.Toffe gozer is dat toch.We hebben nog een halfuur.
Dan moeten we dat hele eind weer terug. Hoe ben jij hier
gekomen? Je bent niet met een school.’
‘Ik spijbel, mijn vader heeft me vanmorgen vroeg ziek

gemeld. Hij haalt me straks weer op.’
‘Gave pa. Dat zou de mijne denk ik niet doen. Hij zegt altijd:
“Wees blij dat je naar school kunt. Dat was in mijn tijd wel
anders.” Hij is pas veel later gaan studeren. Nu geeft hij les.’
‘En je moeder?’
‘Ze werkt op een kantoor, parttime.’
Abdel en Anna lopen Bataviastad binnen, waar veel winkels,
restaurants en snackbars zijn. Er wonen geen mensen,
’s nachts gaan de poorten dicht.
‘Zijn je ouders in Nederland geboren?’
‘Nee, ze zijn allebei in Tiznit in Marokko geboren, in de buurt
van Ilegh*. Mijn vader is later verhuisd naar Agadir en heeft als
kind de grote aardbeving van 1960 meegemaakt die de oude
stad compleet verwoestte. Mijn opa woont er nog steeds, in
een wijk vlakbij de Atlantische Oceaan. Hij is erg oud, zijn
gezicht is zo gerimpeld als een verdroogde appel. Ben je wel
eens in Marokko geweest?’
Anna schudt haar hoofd.‘Wel in Turkije.’
‘Waarom noem je Turkije? Net alsof Marokko en Turkije buurlanden
zijn. Ze lijken helemaal niet op elkaar. De cultuur is
anders en Turken en Marokkanen kunnen elkaar niet eens verstaan.’
‘Sorry, zo bedoelde ik het niet. Zullen we ergens iets gaan
drinken?’
‘Dat is ook typisch Nederlands: snel over iets anders beginnen.’
‘Ik heb helemaal niets tegen buitenlanders. Ik heb zelfs een
Turkse vriendin.’
‘Zelfs, zelfs. Net alsof dat iets bijzonders is. Je denkt als iedereen:
buitenlanders prima, maar alleen als je er geen last van
hebt.’
‘Dat heb ik helemaal niet gezegd. Ik heb geen zin om me te

verdedigen. Jij maakt je kwaad om niks.’
‘Ik ben helemaal niet kwaad, het irriteert me alleen.Weet je
hoe het is om Marokkaan te zijn? In de winkels word je
meestal extra in de gaten gehouden en op school krijg je vaak
als eerste de schuld. Je wordt soms uitgescholden. Mijn broer
van twintig studeert Arabisch in Amsterdam en wilde bij een
call center gaan werken. Hij werd alleen aangenomen als hij
een Nederlandse voor- en achternaam zou gebruiken.
’s Avonds heet hij Thomas van Velden. Als hij zijn Marokkaanse
naam zou noemen, gooien de meeste Nederlanders direct de
hoorn erop.’
‘Abdel, kom, we gaan naar binnen.’ Anna trekt de deur van
een snackbar open.‘Ik trakteer.’
‘Maar ik wil niets eten wat haram is.’
‘Haram?’
‘Verboden. Ik eet geen varkensvlees. Dat is gensir, vies, smerig,
onrein. Dus een frikadel of een kroket: ik moet er niet aan
denken.’
‘Dan nemen we een patatje oorlog. Daar is toch niks mis
mee?’
Het is niet druk in de cafetaria en Abdel en Anna bestellen
twee patatjes oorlog en twee grote bekers cola. Ze gaan tegenover
elkaar zitten. Abdel neemt een paar slokken cola en het
blijft even stil.
‘Sorry,’ zegt Abdel,‘ik was een beetje te fanatiek.’
‘Is zo.’ Anna kijkt Abel aan.Wat een ogen. Blauw zijn ze. Gaaf.
‘Mijn moeder zegt altijd dat ik me snel aangevallen voel.’
‘Klopt dat?’
‘Ik denk het wel.’
‘Ben je ook driftig?’
‘Dat valt wel mee.’
‘Twee patatjes oorlog!’, roept de vrouw achter de toonbank.

‘Ik haal het wel’, zegt Abdel. Hij pakt de frites en zet ze op het
tafeltje. ‘Alsjeblieft’, zegt hij.
‘Lekker, dank je.’
Ze nemen een paar frites.
‘Mag ik de foto’s even zien?’, vraagt Abdel.
Anna pakt haar camera en staat op. ‘Schuif even op, dan kunnen
we allebei kijken.
‘Het was best eng’, zegt Abdel.‘Veel hoger boven het water
dan ik dacht.’
‘Je staat er mooi op. Zal ik de foto’s mailen?’
‘Ik wil ze graag hebben. Zo meteen schrijf ik mijn e-mailadres
even op.Mag ik dan jouw mobiele nummer?’, vraagt Abdel.
‘Tuurlijk. Misschien kunnen we ook een keer afspreken, ik
moet toch nog naar Vlissingen.’
Dat gaat vast lukken. Ik zie hem binnenkort weer.

I Nieuwstraat 13, Vlissingen

zaterdag 14 januari 1651, ’s avonds

‘Waarom heeft de reis naar Barbarije zo lang geduurd?’, vroeg
Adriaan aan zijn vader Michiel de Ruyter, die kapitein was.
De kapitein zat achter zijn schrijftafel. Zijn ogen waren bruin,
hij had lang donker haar en een snor. Hij keek Adriaan even aan
en luisterde naar het haardvuur dat siste. Het hout was vochtig.
Er stond rook in de kamer.
Hij was pas een week thuis, na een reis van ruim negen maanden.
Wat een ellendige tijd, dacht Michiel. ‘We hebben in
Barbarije grote problemen gehad’, zei hij.
‘Welke problemen?’
‘Dat kan ik nu niet zeggen, misschien een andere keer.’
‘Waren het de kapers* die u last bezorgden?’
‘Nee, deze keer niet. Die kapers zijn schoften die schepen buit
maken en de bemanning als slaaf verkopen.’
‘U koopt die slaven toch vrij als u in Barbarije bent?’
Zijn vader knikte, maar wilde niet verder praten over de acht
maanden die hij in de haven van Santa Cruz* heeft gelegen. Het
was een tijd van verdriet, en niet alleen omdat hij van schipper
Hagelstein hoorde dat zijn vrouw Neeltje Engels plotseling was
overleden. Het liefst was hij direct de haven uitgevaren om naar
zijn drie kinderen te reizen, maar dat was onmogelijk. Pas in
december kon hij uitzeilen. ‘Ga nu maar slapen.’
De jongen stond op en liep de kamer uit, naar boven. Hij kende
zijn vader. Als die er nu niet over wilde praten, zou hij het ook
niet doen. Hij deed altijd wat hij zei.
Adriaan deed de deur dicht.
Een tijd van verdriet, dacht Michiel de Ruyter. Ik had die Jan
Salie nooit moeten meenemen op reis, maar ik kon niet weten dat

de jongen zo’n afschuwelijke belhamel was. Pas na acht maanden
en acht dagen konden we terug naar het lieve vaderland.
Hij nam een slok rode wijn en staarde in de vlammen. Hij pakte
zijn ganzenveer, doopte die in de inkt en begon een brief te
schrijven aan de vader van Jan Salie.
Het is het beste dat ik hem uitnodig voor een gesprek, dacht
Michiel. Hij moet weten wat er is gebeurd in Barbarije.

 
Terug naar boven